“Vakantie is leuk, maar werken maakt gelukkig”. Aan het einde van de vakantietijd is dit een uitspraak die vast hier en daar wenkbrauwen doet fronsen. Als werk al gelukkig maakt, dan wellicht voor de ‘happy few’? Want maakt niet enkel zinvol werk gelukkig?

Werk belangrijk voor geluk

Toen ik op een dag een aantal nieuwe medewerkers rondleidde, werden we op een afdeling  begroet door een poetsvrouw die bezig was de ramen te lappen. Ze onderbrak even haar werk, kwam naar beneden van het trapladdertje, stelde zich voor en zei over haar werk: ‘Ik haal hier de zon in huis’. Was dit een frivoliteit van een dame met zin voor humor? De klank in haar stem liet verstaan dat er meer schuilde achter haar woorden.

Eerst even dit. Het is goed ons te realiseren dat werk nog nooit zo belangrijk is geweest voor geluk als nu in deze tijd. Maar dat is niet altijd zo geweest. Ten tijde van de Grieken en Romeinen moest geluk niet worden gezocht in arbeid, maar vooral in vriendschap, politiek en filosofische contemplatie. Arbeid was ‘not done’, en weggelegd voor slaven.

Veel later introduceerde het Christendom een veel positievere kijk op werk. Onder het adagio ‘Ora et labora’ werd arbeid niet langer een onvermijdelijk  kwaad, eerder een noodzakelijk goed.

De Verlichting benadrukte de mogelijkheid van vooruitgang, die niet voortkwam uit de goddelijke voorzienigheid, maar het resultaat was van inspanning en dus van werk. Het doel van alle overheidsbeleid en sociale emancipatie zoals die sinds de vorige eeuw vorm kreeg, was méér geluk te creëren, ook in het werk. Werktevredenheid kwam op de agenda. Wat motiveert mensen? Werk-intrinsieke factoren werden aangeduid als een oorsprong van voldoening. Het was de tijd waarin bedrijven gingen experimenteren met nieuwe vormen van arbeidsorganisatie, zoals autonome productiegroepen bijvoorbeeld bij Volvo, in plaats van de lopende band.

Die visie op humanisering blijft tot op vandaag belangrijk. Maar er kwam iets nieuw. Als het op geluk aankomt is het accent meer gaan liggen op de mens als persoon, als subject, en minder als radertje in een groter systeem, als ‘resource’ in een ruimere structuur. Tegenover arbeid is een nieuwe verwachting ontstaan : werk als bron van zingeving. Het is vandaag merkbaar in de wijze waarop de jongere medewerkers, de zogenaamde Y-generatie, tegen werken aankijkt. Beter nog kunnen we ze de ‘WHY-generatie’ noemen, die vragen stelt naar het waarom en het waartoe van waar ze mee bezig zijn.

Geluk creëren op het werk

Terug naar de poetsvrouw. De anekdote is een variatie op het gekende verhaal van de bouwvakkers aan wie gevraagd wordt wat ze aan het doen zijn. De eerste antwoordt: ‘Ik mets stenen op elkaar’. De tweede verduidelijkt: ‘Ik verdien mijn boterham’. De derde stelt: ‘We bouwen een kathedraal’. Wie geluk ervaart op het werk, maakt dat geluk niet afhankelijk van externe omstandigheden, die kunnen tegen vallen, en waar niet altijd invloed op uit te oefenen is. Zeker zo belangrijk is de houding waarmee we in het werk staan. Hoe sta ik in mijn werk? Wat maak ik ervan? Hoe creëer ik geluk?

Een oudere medewerkster in een financiële instelling verwerkt overschrijvingsformulieren. Dat doet ze reeds jaren, dag na dag. Op de vraag of ze gelukkig is antwoordt ze: “De rijkdom ligt voor mij niet in de inhoud van mijn taak. Weet je waarin de betekenis ligt? Dat ik dit met de glimlach doe. Het lukt mij dit werk zo te doen, dat er een sfeer ontstaat waar mensen zich prettig bij voelen. Daar ligt mijn kracht. Ik weet dat er na mij iemand anders zal komen die dit zal overnemen.  Maar ze zullen mij missen, dat weet ik wel”. Niet in haar functie, maar in de rol die ze opneemt, vindt deze dame zin in het werk.

De grootste vrijheid van mensen is dat ze zelf kunnen bepalen hoe ze reageren vanuit een innerlijke houding. Geluk overkomt je dus niet. Geluk ontstaat. Geluk is levenskunst. Ja dus, elke job heeft dat potentieel om er iets waardevol van te maken.

Waarom mensen werken …

Puttend uit het gedachtegoed van Hannah Ahrendt, kunnen we stellen dat er drie grondredenen zijn waarom mensen werken: om in leven te blijven, om iets tot stand te brengen en om zichzelf zichtbaar te maken. Wat is dus een leuke job? Een die je in staat stelt op een behoorlijke manier rond te komen, je de gelegenheid biedt bij te dragen aan iets waardevols en je een gevoel geeft van erkenning. Wanneer deze elementen aanwezig zijn kan werk een ervaring worden van fijnzinnig genieten.

Iets te positief? Het is nooit een permanente toestand. De geluksmomenten zijn kortstondige verdichtingsmomenten, die zich voordoen naar aanleiding van een ontmoeting, een waardering, een besef van verbinding met anderen. Het kan ook liggen in de ervaring van schoonheid, bijvoorbeeld als men iets tot stand heeft gebracht dat van waarde is. Wat daarbij voor de een zinvol is, hoeft dat voor een ander niet te zijn. De individuele verschillen daarin zijn groot. Ook werk dat qua inhoud eenvoudig en qua vorm routinematig is, kan best een bron van voldoening zijn.

De drie motieven zijn met elkaar verstrengeld. Een bonus bijvoorbeeld betekent een extra inkomen, maar ook de bevestiging dat iets waardevol is gerealiseerd, dat bovendien gezien werd.  De gelegenheid een bijkomende opleiding te volgen stelt iemand in staat op een nieuwe manier bij te dragen tot het geheel. Dit kan zich ook materieel vertalen en drukt vervolgens ook uit dat je belangrijk wordt gevonden. Elke interventie heeft een boodschapwaarde met een eigen effect. Het is aan de organisatie de omstandigheden te creëren die ertoe bijdragen dat medewerkers hun arbeid tot een betekenisvol onderdeel van hun eigen levensverhaal kunnen maken. Maar dit laatste, de waarde die het krijgt in een eigen zingevingsproces,  is een persoonlijke verantwoordelijkheid. (Lees meer hierover in de VKW – Metena-beleidsnota ‘Verbindend leiderschap’.)

Werken is ook lijden

Nu kan men tegenwerpen: mensen zijn niet vrij in hun werk. Inderdaad. Maar ieder werk heeft zijn vrijheidsgraden. Ook in schoonmaakwerk en in eenvoudig administratief werk kan regelruimte worden ingebouwd. Anderzijds: ook in een baan die leuker  oogt, omdat ze meer gelegenheid biedt tot afwisseling, uitdaging of creativiteit zit onvrijheid. Ook daar spelen verwachtingen, verplichtingen en targets.  Zogenaamd boeiend werk kan bovendien een hele rits  andere frustraties met zich meebrengen. Misschien krijgt men niet de erkenning die men zou wensen, is men overbelast of juist onderbelast, of gaat energie verloren in onbegrip of naijver …

Zoals elke job inherent een bron van geluk kan zijn, gaat ook elke taak gepaard met frustratie of lijden. We moeten dus niet alleen praten over geluk en ontplooiing, maar ons ook de vraag stellen: hoe gaan we om met teleurstelling, pijn en tegenslag. Die maken eveneens inherent deel uit van elke  activiteit.  In ieder leven is lijden, zegt Boeddha, zo ook in ieder werken.

Bij al het ‘maakbaarheidsoptimisme’ moeten we beseffen dat er piekervaringen kunnen zijn, maar vooral ook veel ‘putervaringen’. Mensen praten echter niet graag over lijden. David Goleman, die het concept van de emotionele intelligentie lanceerde, zei nochtans dat de sleutel tot succes gelegen is in het vermogen om met tegenslag om te gaan, met frustraties en met emoties als boosheid en verveling. Daarin zit ook de kern van veel maatschappelijke problemen: wanneer mensen niet meer met emoties en frustraties kunnen omgaan uiten ze die in agressie of apathie. Geluk is dus op zijn minst ook:  kunnen omgaan met ongeluk.